Na de succesvolle sessie van vorige week waren de verwachtingen hooggespannen. Toen ik gisteravond aan de waterkant arriveerde, zakte de moed echter snel in mijn schoenen. Op onverklaarbare wijze werd het vertrouwen uit mijn hoofd gedreven.
“Het zal wel niks worden”, sprak ik tegen mezelf.
Dat de nacht vruchteloos zal worden was al zeker.
Rond dit water hangt altijd een sinistere sfeer. Hier is de zonsondergang niet romantisch, maar eerder beangstigend. Schemering noem ik hier tweeduister. Dat dekt de spookachtige lading beter. Sfeervolle nachten kent dit water niet. Tijdens een nachtelijke dril heb ik altijd de neiging om over mijn schouder te kijken. Alsof iets zich verschuilt in de duisternis. Eigenlijk vertrouw ik het daar voor geen meter.
In het tweeduister positioneerde ik de hengels in de oeverzone. Hoe nauwkeurig ik ook was, het voelde als een kansloze exercitie. Vervolgens ging het in versnelde pas terug naar mijn veilige nachtverblijf. Mijn ademhaling en hartslag werden pas rustig toen ik mij in de warme slaapzak had genesteld. Eigenlijk was ik een beetje bang, maar mijn ego was te groot om dat te erkennen. Karpervissers zijn stoer. Toch?
Toen werd het donker. Aardedonker. En het werd stil. Te stil. Slechts af en toe klonk er een schorre kreet van een eend. Alsof het dier in doodsangst verkeerde.
“Wat doe ik hier?”, mompelde ik.
Hardop praten tegen mezelf gaf een veilig gevoel.
Met warrige gedachten over ‘witte wieven’ die over het kanaal zweven, viel ik in een onrustige slaap.
Iets over zeven werd ik wakker in een ijskoude grijze wereld. Door de takken van de nog kale eiken ontwaarde ik het licht van de zon. De koperen ploert werkte hard om de dichte mist te verdrijven en daarmee de naargeestige atmosfeer. Ondanks dat ik geen beet had gehad, was ik blij. Of voelde ik mij opgelucht omdat ik ’s nachts mijn tent niet had hoeven verlaten?
Roelof Schut

