We gaan terug in de tijd. We gaan terug naar donderdag 21 februari 1985. Na tweeëntwintig jaar werd hij eindelijk weer gehouden: de Elfstedentocht. In Nederland brak massahysterie uit en zelfs mijn middelbare school kondigde een nationale feestdag af. Deze vrije schooldag bracht de morele verplichting met zich mee dat ik moest afreizen naar de finish van de Tocht der Tochten.
Ik was nog maar zeventien jaar oud en het laatste wat mij bekoorde, was reis naar het Friese feestgedruis. Toen al verkoos ik rust boven hectiek en bovendien was ik karpervisser. En een karpervisser heeft helemaal niets met een ijsvloer. Als puberende tiener was ik echter niet opgewassen tegen de druk van de vriendengroep, dus mijn kameraden sleurden mij de auto in. In Leeuwarden dronken we Sonnema Berenburg en rookten we sigaren. Lijdzaam onderging ik het feestelijke gebeuren. Ondanks de aanwezigheid van vele goedgemutste ijstoeristen voelde ik mij eenzaam en alleen. Mijn gedachten waren bij de Baggerput en haar karpers.
De finish van de Âlvestêdetocht vond plaats op de legendarische Bonkevaart. Hoe ik daar ben gekomen, weet ik niet meer. Wat nog wel in mijn geheugen staat geprent, is dat mijn schoenen zoek waren. Op sokken liep ik door het natte gras. Mijn voeten deden zeer, het was dooi geworden en de wind liet het finishdoek op zenuwachtige wijze wapperen. In de verte denderden vier schaatsers en een zijspanmotor over het ijs. Het interesseerde mij niets. Mijn gedachten waren bij de karpers.
Duizenden mensen hadden zich verzameld aan de oevers van de Bonkevaart. Om het irritante duw- en trekwerk te ontwijken – en mijn tenen te beschermen – klom ik op een oude boerenkar die langs het parcours stond geparkeerd. Deze kar was een kleine oase van rust in een hysterisch Nederland. In mijn ooghoeken doemde een enorme haarbos op en toen ik beter keek, bleek het koningin Beatrix te zijn. Op slechts enkele meters van mij verwijderd, baande ze zich een weg naar de finishlijn. Toen gebeurde het en waarom is altijd onduidelijk gebleven: zonder aankondiging werd ik overvallen door een sterk gevoel van vaderlandsliefde. Mijn zelfbeheersing en verlegenheid verdween als sneeuw voor de zon en ik kreeg de ernstige behoefte om onze vorstin op gepaste wijze te begroeten.
Een grote teug winterlucht vond de weg naar mijn longen en uit volle borst schreeuwde ik: “LEVE DE KONINGIN! HOERA! HOERA! LEVE DE KONINGIN!”
Het volume dat mijn stembanden produceerden, was te vergelijken met dat van een megafoon en het was onvermijdelijk dat Beatrix omkeek. Waarschijnlijk schrok ze en was ze bang voor een vorm van acute doofheid. Die fractie van een seconde dat onze blikken elkaar kruisten, was voor mij genoeg om de Elfstedentocht van 1985 tot een groot succes te promoveren. Onze koningin gunde mij immers een blik waardig en dat kunnen weinig karpervissers zeggen. De bodyguards waren minder blij met mijn optreden, maar omdat ik op een boerenkar stond, bleef ik uit de knuisten van deze potige jongens. Dat ene Evert van Benthem – ik had nog nooit van hem gehoord – de wedstrijd won, interesseerde mij niet. Mijn dag was gemaakt en voor even dacht ik niet aan de karpers.
Gisteravond zat voormalig topschaatser Erben Wennemars aan tafel bij De Wereld Draait Door. Hij huilde omdat de Elfstedentocht dit jaar niet doorgaat. De meeste mensen vonden zijn tranen overdreven, maar ik begreep hem wel. Erben heeft namelijk nog nooit op een boerenkar gestaan bij de finish van de Elfstedentocht.
Roelof Schut

