De voorbije week was een voorbode op de herfst. Een harde westenwind is namelijk de natte droom van iedere karpervisser. Daarbij lieten de zware slagregens het kanaalwater eindelijk weer eens stromen. Dat bekende dat er moest worden gevist!
Ik had de donderdagnacht uitgekozen voor een verblijf op een stek die ik enkele dagen lichtjes had aangevoerd. Tot laat in de middag twijfelde ik echter of ik wel zou gaan vissen. De regen was zo hevig dat het niet eens mogelijk was om tien seconden buiten te zijn zonder drijfnat te worden. Vijfentwintig jaar geleden had mij dat niets uitgemaakt, maar bijna ongemerkt krijgen de jaren steeds meer vat op mij. Als je boven de veertig bent – op Tram 4 bent gestapt zoals ze in België zo mooi zeggen – gaan dingen gewoon niet meer zo gemakkelijk en vanzelfsprekend. Om een uur of zes brak de hemel toch een beetje open en snelde ik naar het water. Daar aangekomen stond de wind keihard in de lengte van het kanaal te blazen waardoor er zelfs schuimkoppen op de golven stonden. Succes verzekerd, daarvan was ik direct overtuigd.
Ik heb de hengels nog niet eens geïnstalleerd en de regen komt alweer met bakken uit de hemel. Als ik even later op mijn bedchair ga liggen, zijn mijn jas en broek al zeiknat. Wat een bende! Die avond heb ik echter niet veel tijd om me te ergeren aan de voortdurende regen, want de aanbeten volgen zich in regelmatig tempo op. In hevig noodweer dril ik de karpers af en uiteindelijk sta ik in onderbroek, lieslaarzen en een doorweekte jas aan de waterkant. Tussen de aanbeten zit telkens ongeveer een uur zodat ik geen minuut slaap krijg. Het is inmiddels vier uur ’s nachts en ik ben compleet gesloopt.
Na de zoveelste aanbeet slenter ik slaapdronken terug naar mijn bivak en als ik eindelijk weer op mijn bedchair lig, schijnen er opeens felle lichtbundels in mijn richting. In mijn wezenloosheid kan ik nog net concluderen dat dit waarschijnlijk de politie is. Voordat de wetsdienaren mij kunnen roepen, sta ik alweer buiten: gekleed in slechts onderbroek en lieslaarzen.
“Wat bent u aan het doen meneer?”, klinkt er van onder een blauwe pet terwijl mijn halfnaakte lichaam wordt beschenen door een grote Maglite.
Achter de politieman zie ik bovenlichaamse rondingen die een vrouwelijke agent verraden. Ternauwernood kan ik een luide schaterlach onderdrukken.
“Tot zopas deed ik een poging om te slapen, maar ik zal openheid van zaken geven. Ik ben namelijk aan het vissen. En nu moet ik zeker mijn visvergunning opgraven om aan te tonen dat ik niet in overtreding ben?”
De agent kijkt nu naar mijn auto en neemt zorgvuldig het kenteken op.
“Ik geloof u wel. Uw vergunning hoef ik niet te zien. Kunt u zich legitimeren?”
Zuchtend open ik het voorportier van mijn wagen waarbij ik mij terdege bewust ben van mijn modieuze verschijning. Als ik mijn rijbewijs heb gevonden, draai ik mij bewust in de richting van de vrouwelijke agent. Vriendelijk overhandig ik haar het document waarbij ik mijn natte glimmende torso nog eens extra opblaas door diep adem te halen. Nonchalant fatsoeneer ik de rubberen lieslaarzen en trek ik mijn onderbroek recht.
“U bent net een Chippendale”, zegt ze terwijl ze mijn rijbewijs controleert.
“Dankuwel mevrouw. Ik vat uw opmerking op als een groot compliment”
Ik maak mezelf wijs dat ik weer beet heb, alleen nu niet van een karper.
Ik schud het overtollige regenwater uit mijn lange haren en denk hiermee erotische fantasieën uit te lokken. Mijn leukste glimlach moet de kers op de taart zijn. Enkele seconden later krijg ik mijn rijbewijs terug en bij het aannemen raak ik haar hand aan. Nu kijkt de agente mij recht in de ogen.
“U heeft het prima voor elkaar meneer. Ik wens u een goede vangst”, laat ze net iets te overdreven weten. Ik meen een opgewonden trilling in haar stem te horen.
“Ik wens u een prettige dienst mevrouw. En meneer…”
Roelof Schut

